|
...Een van de objecten van de dienst der Nederlandse Posterijen en Telografie, was de radioverbinding van
Nederland met Nederlands Oost-indie. Dit object was voortgekomen uit het 'plan van der Bilt". Als reactie
op dit plan, werd door de toenmalige Ministers van Kolonien en Waterstaat geantwoord dat de behandeling van
de concessieaanvraag werd opgeschort. Dit, in verband met de tijdsomstandigheden, waarbij de verdere
mededeling werd gedaan dat de regering het vraagstuk van de radio-telegrafische verbinding van Nederland
met Nederlands Oost-Indie zelf ten studie had genomen.
In april 1917 was de Permanente Commissie voor de radio-telegrafie met haar beraadslagingen gereed. De
technische dienst der Rijkstelegraaf, welke in october 1917 haar rapport uitbracht, sloot zich aan bij de
zienswijze van de Permanente Commissie. Ook deze dienst meende dat een rechtstreekse radio-telografische
verbinding tussen Nederland en Nederlands Oost-lndie mogelijk was, en gaf op dezelfde gronden als de
Permanente Commissie in overweging met de Gesellschaft für drahtlose Telegraphie "Telefunken" te
Berlijn in zee te gaan.
Tevens was in juni 1917 een Commissie aangesteld, die zich bezig had gehouden met het zoeken van een
terrein voor de bouw van het zendstation. Met deze beslissing werden de ingenieurs der Telegrafie,
Jhr. W. M. de Brauw en E. F.W. Völter door de regering aangewezen om de nodige besprekingen
met Telefunken te voeren. Met een volledig aanbod met levertijd kwamen zij terug.
In september l918 werd het contract met Telefunken gesloten voor de oprichting van het zendstation te
Kootwijk en een ontvangststation te Sambeek. De werkzaamheden werden uitgevoerd onder leiding
van de hoofdingenieur directeur der Telegrafie dhr. A. E. R. Collette. Het electrotechnische gedeelte,
zowel van Kootwijk als van Sambeek, was toevertrouwd aan Ir. E. F. W. Völter.
Met het zendgebouw werd in augustus 1920 begonnen. Dit werd uitgevoerd door de n.v. International Gewapend
Betonbouw te Breda. Het werk stond onder de leiding van de architect,
dhr. J. M. Luthman. In de zomer van 1921 was het grote
zendgebouw gereed en kon men met het binnenwerk beginnen.
Voor het gereedkomen van het ontvangststation te Sambeek werden de seinen uit Indië opgevangen op de
meetgronden te Blaricum, waar een ontvangst inrichting stond opgesteld welke vervaardigd was door
Dr. Ir. C. J. de Groot. In het begin van november 1921 werden de eerste seinen uit Indië ontvangen.
In december 1918 werd begonnen met de aanleg van een smalspoorbaan van ca 5 km lengte, voor het aanvoeren
van bouwmaterialen, gereedschappen en het benodigde staal voor de masten. Daarna werd begonnon met het
bouwrijp maken van het terrein, waarbij ca. 380.000 m3 grond werd verzet. Het terrein kwam in november 1919
gereed.
De benodigde energie werd geleverd docr de Provinciale Gelderse Electriciteitsmaatachappij. De bouw van
een eigen energievoorziening werd minder gewenst geacht, gezien het nodig zijn van voldoende reservecapaciteit.
Vanuit Nijmegen werd 50 KiloVolt gedistribueerd naar het onderstation te Wormen, gemeente Apeldoorn.
Een 10 KiloVoltslijn, gedeeltelijk als bovengronds net uitgevoerd, verbond het onderstation met het
transformatorstation te Kootwijk.
Het gehele traject Nijmegen-Apeldoorn was dubbel uitgevocrd waardoor men over een reservelijn beschikte. Ook
in het transformatorgebouw beschikte men over twee transformatoren van 10 naar 3 KiloVolt, elk met een
vermogen van 1000 kVA. Van hieruit gingen twee kabels, beide voor 3000 Volt naar het zendgebouw.
De machinezenders, destijds gebruikt te Kootwijk, Nauen en Bandoeng bestonden in hoofdzaak uit een krachtige
- 800 pk - electromotor, die een generator aandreef welke bij 1500 omwentelingen per minuut een frequentie
opwekte van 6000 Hertz. De generator leverde bij deze frequeutie 450 volt en ca 1200 ampere. De stator en de
aslagers waren watergekoeld, terwiji de rotor door middel van schoepen van luchtkoeling werd voorzien.
De generator-energie werd gekoppeld met ean spanningstransformator. De opgetransformeerde spanning van
ca 2000 Volt was nodig om de gewenste stroom door de frequeutietransformatoren in de antenne te laten
vloeien.
Het principe van frequentie-vermenigvuldiging, aangegeven door Epstein uitgewerkt door Joly
en Vallauri en voor de zendtechniek bruikbaar gemaakt door Graf Arco (Telefunken), werd alleen
in de machinezenders toegepast.
De toegepaste frequentie-transformatoren waren oliegekoeld, evenals de bijbehorende "Osnos spoel". Zowel
de waterkoeling als de oliekoeling voor het hoogfrequentie-gedeelte werden verzorgd door middel van pompinstallaties
en pijpieidingen. De warmte, die vrijkwam, werd afgegeven aan de koelwatervijver, weike voor het gebouw was
anngebracht.
Gedurende de proefnemingen werkte de zender zonder terugregeling. Begin 1923 werd een fijnregelingstoerenregeling
toegepast volgens het RiegRer-patent. Deze fijnregeling werkte onafhankelijk van de toegepaste inrichting,
waardoor de grote wisselingen in de belasting, die het gevolg waren van het werken met de seinsleutel, werden
gecompenseerd.
De gebezigde golflengte van 12500 meter, 24 kHz of 6250 meter, 48 kHz werd uitgestraald door een omvangrijk
antennestelsel. De gehele antenne bestond uit zes getuide stalen masten van 212 meter hoogte. Een daarvan stond
in het middelpunt, terwijl de overigen met een onderlinge afstand van 450 meter er rondom gegroepeerd stonden.
Het afstemmen der zendinrichting duurde van november 1922 tot midden januari 1923, in december 1922 waren
deze proeven tijdelijk stopgezet in verband met transformatorpech.
Op donderdog 18 januari werd Kookvijk om 05h40 uur A.T op golflengte 8400 meter voor het eerst te Bandoeng gehoord.
Het traject Holland-Indië met een afstand van 11.410 km. was afgelegd. Een historisch moment in de Nederlandse
radiogeschiedenis.
Op 5 mei 1923 ging het station P.C.G. officiëel in dienst, doch echter zonder toerenregeling. De eerste
toerenregeling werd begin augustus 1923 aangebracht, de tweede volgde begin october 1925, eind september 1925
was Schlauglitzespoel gereed voor gebruik.
Tegelijk met de bouw van het zendstation te Kootwijk, was een aanvang genomen met het verwezenlijken van
een ontvangststation. Dit station kwam in de loop van 1919 gereed. Het terrein waarop het ontvangststation
gelegen was diende voor de ontvangst van de signalen uit Indië zo optimaal mogelijk te zijn zonder storende
invloeden te ondervinden van het op ongevoer 60 km afstand gelegen zendstation Kootwijk, gemeente Apeldoorn.
Hierdoor was een gelijktijdig zenden naar en ontvangen van Indië mogelijk. Een andere voorwaarde dan boven
genoemd, was dat de antemnes van beidee stations loodrecht op elkaar geplaatst moesten zijn. Het voldoen aan
deze beide voorwaarden was de enige beperking in de keuze van het terrein voor het ontvangststation. Een
dergelijk terrein werd gevonden in de omgeving van Boxmeer, op de heide te Sambeek. De ontvangstantenne
bestond uit zeven houten masten die 61.5 meter hoog waren en twee stalen afspanmasten met een hoogte
van 15 m.
Aan deze masten waren drie antennedraden opgehangen ter hoogte van 60, 52 en 20 meter. Zodoende beschikte
men over drie antennes, alle enkeldraads uitgevoerd. Behalve in hoogte, waren de antennes ook in lengte
verschillend. De bovenste draad, welke over alle zeven masten liep, had een totale lengte van 1600 meter,
de middelste draad, over vijf masten gespannen, was 1200 meter en de laagste, welke over vier masten liep,
had een lengte van 700 meter.
De ontvangsttoesteilen waren geschikt voor golflengtes tussen 600 en 35000 meter, 5OO KHz tot
8,5 KHz. Deze ontvangers waren uitsluitend ingericht voor secondaire ontvangst, met een aansluiting
voor een detector of hoogfrequentversterker. De spoelen waren uitwisselbaar.
De koppeling met de secondaire spoel kwam tot stand door middel van de draaibare antennespoel. Hiermee
kon men een optimale nulkoppeling bereiken. Op dit ontvangsttoestel, dat uitsluitend voor de afstemming
diende, kon men naar keuze een vijfvoudige hoogfrequentversterker of een drievoudige laagfrequenversterker
aansluiten. Verder bevond er zich in de ontvangzaal nog een extra versterker. Deze was uitgerust met
dictafoons, waardoor de opgenomen seintekens op wasrollen werden vastgelegd.
Het onvangststation te Sambeek kon vrijwel onmiddellijk nadat het door de firma Telefunken was opgeleverd
in 1919, het Indische zendstation Malabar onvangen. De ontvangst geschiedde op die tijden, dat het gehele
traject van 11410 in het duister was gehuld.
Aangezien het tijdsverschil met Indië ongeveer zeven uur bedroeg, viel de bruikbare periode tussen 17 en
23 uur nederlandse tijd. Proefondervindelijk werd vastgesteld dat de gustigste golflengte voor deze periode
9000 meter bedroeg. Dit was niet het gevolg van een optimale overdracht van de signalen, maar meer het
resultaat van een ongestoorder ontvangst ten gevolge van het ontbreken van buitenlandse stations op die
golflengte gedurende die tijd. Het gemiddeld aantal woorden, dat per avond werd overgebracht, varieerde van
500 tot 1000 woorden. Overdag was het resultaat vrijwel nihil. In augustus 1924 werd het ontvangstatation
van Sambeek overgebracht naar Meyendel, gelegen in de omgeving van 's-Gravenhage.
De installatie te Meyendel was in het begin gelijk aan de te Sambeek gebruikte. Nadien werd, gezien de
ervaring welke men te Sambeek had opgedaan en waaruit raam-antenne-ontvangst wenselijk bleek, overgegaan op
de ontvangst met behulp van dergelijke antennes. Het waren hoge, langgerekte ramen, waardoor kostbare
mastconstructies overbodig werden.
Het ontvangraam bestond uit een gevlochten draad van ca 350 meter lengte. Dit was op een hoogte van 14 meter
opgehangen aan houten telefoonpalen. Het raam had éen winding en was dusdanig opgesteld, dat de richting ervan
samenviel met de verbindingslijn Indië-Amerika. Er weren twee van dergelijke ramen, één van 400 meter lengte
en een van 250 meter, waarbij de laatste als reserve dienst deed. Voorts was er een raam opgesteld, loodrecht
gericht op de richting naar Indië. Dit raam diende om, met behulp van een radio-goniometer, de eerstgenoemde
ramen langs electronische weg te kunnen draaien. Tenslotte was er een lange horizontale antenne opgesteld,
waarmee een eenzijdig cardioide ontvangstpatroon kon worden verwezenlijkt.
De gebruikte hoog- en middelfrequentversterkers waren uitgevoerd met Philips Miniwatt dubbetroosterlampen
(B6). De gehele installatie werd vervaardigd door het personcel van het laboratorium van de Rijkstelegraaf
en tevens door hen aangelegd.
Het ontvangststation te Meyendel, aanvankelijk bestemd voor het langegolfverkeer met Nederlands Oost-Indië,
bleek al spoedig niet meer aan de eisen te voldoen. De opening van het verkeer met Amerika en de wonderbaarlijke
triomf van de kortegolf, later gevolgd door het intensieve verkeer met andere Europese landen, maakten
uitbreiding noodzakelijk.
De keuze hiervoor viel op een uitbreiding met een nieuw station waarvoor een geschikt terrein werd gevonden
in de duinen te Noordwijk aan Zee. Noordwijk Radio NORA werd in september 1928 met de tweezijdige Europese
langegolf-ontvangst in gebruik genomen in de loop dér tijd ging het antennepark bestaan uit langegolf-antennes
in combinatie met twee aardkruisen. Deze bereikten een hoogte van ca 40 meter. Voor de ontvangst van het
kortegolf-verkeer werd gebruik gemaakt van twee horizontale en twee verticale dipool antennes. Voor de
trans-atlantische verbindingen werd een twaalftal Beverage-antennes gebruikt.
Het onvangstation NORA was voorzien van oa dertig ontvangstinrichtingen voor de ontvangst van:
- de Europese langegolf 2000 tot 8000 meter
- de Europese kortogolf 30 tot 45 meter
- de trans-atlantische langegolf 10000 tot 18000 meter
- de trans-atlantische kortogolf van 15 tot 30 meter golflengte
Al deze ontvangetinrichtmgen waren vervaardigd door het laboratorium en de herstellingswerkplaats van de
Rijkstelograaf.
Overigens bracht het jaar 1927 een grote ommekeer in de technick en de communicatie. Op 3 maart 1927
deelde Philips mede: 'Wij zijn uitstekend gehoord in Medan". Ook Bandoeng reageerde met "Hallo Holland".
In 1923 werd een aanvang genomen met het werken met een zender, geplaatst te Huizen waarvan de gerichte antennes
naar West- en Oost Indië straalden. De uitzendingen van deze PHOHI (Philips Omroep Holland Indië) werden over de
gehele wereld goed ontvangen. De zender welke was uitgerust met watergekoelde triodes was door Philips NSF
vervaardigd en werkte kristalgestuurd.
Professor Max Wien, die tijdens een radio-tentoonstelling van de N.V.V.R. in 1918 reeds een voordracht
gehouden had over de radiobuis als opwekker van electrische trillingen verkondigde toen al zijn visie, welke
door de practijk geheel juist werd bovonden: "De electronenbuis zal ook in de zendtechniek een grote
omwentelling teweegbrengen."
|